Kogels en krantenkoppen
De invloed van de media op het verschijnsel van schietpartijen
Tekst: Sam de Voogt
Zo rondom het middaguur op Sinterklaasdag 2007 loop een negentien-jarige jongen een winkelcentrum in de buurt van Omaha, Nebraska binnen. Hij neemt de lift naar de derde verdieping, haalt daar een semi-automatisch geweer onder zijn trui vandaan en begint te schieten. Zes minuten later schiet hij zichzelf door zijn hoofd. In de tussentijd zijn er zes mensen overleden; twee bezwijken later nog aan hun verwondingen.
Sinds de zomer van 2006 hebben er elf zogenaamde spree shootings zoals hierboven in de Verenigde Staten plaatsgevonden, telkens gevolgd door een intensieve verslaggeving van de gebeurtenissen en de nasleep ervan. Nu is het makkelijk om dit verschijnsel toe te schrijven aan de wapenwetten in Amerika. Loop een supermarkt in en je kunt binnen tien minuten weer buiten staan, alleen dit keer met een shotgun in de hand. Maar hoewel de wapenwetten hoogstwaarschijnlijk een (grote) rol spelen, is er ook nog een andere belangrijke factor die deze toename tot gevolg kan hebben gehad: de media.
Een uur voordat de schutter het winkelcentrum is binnengelopen, was zijn moeder met een gevonden zelfmoordbrief naar de politie gegaan. In niet mis te verstane taal beschrijft de jongen, Robert Hawkins genaamd, zijn laatste bedoelingen: “I just want to take a few pieces of shit with me… I’m gonna be fuckin famous.” Hawkins had eerder dat jaar gelezen en gehoord over Seung-Hui Cho die 32 mensen neerschoot bij het bloedbad op het universiteitsterrein van Virginia Tech University. Cho had, voordat hij begon met schieten, een envelop vol met tapes, brieven en foto’s naar een nationale televisiezender gestuurd. Zodoende stond hij de volgende dag met zijn kop op de voorbladen van alle belangrijke kranten in de wereld. Cho werd op deze manier wereldberoemd door het doodschieten van anderen. Blijkbaar wilde Hawkins dat ook, en probeerde hij dat via dezelfde weg. En aangezien het in dit artikel over hem gaat, is het hem gelukt ook.
Als sinds de Griekse Oudheid zijn er mensen die door middel van een misdaad beroemd willen worden. Tweeduizend jaar geleden in Ephesus, het tegenwoordige Turkije, liet een man genaamd Herostratos de beroemde tempel van Artemis, één van de klassieke wereldwonderen, afbranden om zodoende zijn naam te vereeuwigen. Ondanks een verbod van de plaatselijke autoriteiten op het noemen van zijn naam, is hij tot op de dag van vandaag bekend. Gelukkig zijn er niet veel mensen die op deze manier beroemd willen worden. Degenen die dat wel willen, zijn een gevaar voor de mensheid, en moeten tegengehouden worden. Maar zoals de situatie er nu uitziet, kan dat alleen door ook de berichtgeving over dergelijke incidenten stop te zetten. Kan dat en, nog belangrijker, heeft het zin?
In Nederland worden criminelen vanwege privacywetten in bescherming genomen. De crimineel moet een kans krijgen om opnieuw in de samenleving opgenomen te kunnen worden. Een balkje voor de ogen en alleen de eerste letter van de achternaam en woonplaats tijdens een publicatie is het gevolg. Heel Nederland was geschokt toen er foto’s van Mohammed B. (daar heb je het al) zonder enige vorm van censuur in de kranten verscheen. Maar Cho, en later ook Hawkins, verschenen vol met hun hoofden op de voorpagina, en er was niemand die je erover hoorde. Was dit omdat ze al dood waren? Dr. Michael McClelland, voormalig journalist en assistant professor of English op Wittenberg University in Springfield, Ohio vermoedt dat het iets met de ernst van de situatie te maken heeft: “Ik kan niet goed beoordelen waarom de redacties in Nederland deze foto’s zonder censuur plaatsten, maar het lijkt mij dat als er genoeg doden vallen er een uitzondering gemaakt wordt.”
In de Verenigde Staten gelden zulke wetten niet. Criminelen moeten daar met de billen bloot. Mensen die een ernstige fout begaan, horen geen tweede kans te krijgen; het is belangrijker dat de samenleving weet dat diegene een monster is, die geen respect verdient. Zo krijgt de crimineel de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden.. Dr. McClelland weet waarom het Amerikaanse systeem zo werkt: “Informatie achterhouden kan veel meer last veroorzaken. Stel dat er een crimineel is die in de Nederlandse krant verschijnt onder de naam Michael M.. Mensen zullen misschien denken dat ik het ben en daar heb ik dan last van.” Klaus Schönbach, hoogleraar Algemene Communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, prefereert ook het Amerikaanse systeem, hoewel hij vindt dat het Nederlandse systeem criminelen wel een kans biedt op resocialisatie. Maar het voorkomen van censuur is volgens hem belangrijker: “Het verbieden van publicatie in de media van bepaalde criminelen zou echte censuur zijn. Dat zou namelijk een ingreep in de persvrijheid zijn, en een kenmerk van de persvrijheid is het feit dat zulke beslissingen worden overgelaten aan de media, er vanuit gaande dat die het probleem professioneel hanteren.”
De vraag is of het de verantwoordelijkheid van de journalist, of de redactie, of zelfs de overheid is om hier iets aan te doen. De privacywetten in Nederland gaan blijkbaar op een dergelijk moment niet op. Op die manier krijgt de theorie van priming een kans. Doordat er veel geweld waar te nemen is in de media, denken mensen er sneller aan als ze twijfelen over wat te doen in een bepaalde situatie. De recente ervaringen met geweld op televisie, de priming, leiden dan tot meer en sneller agressief gedrag. Zou een verbod op het plaatsen van dergelijke schietpartijen op de voorpagina misschien helpen priming tegen te gaan en zodoende helpen het geweld te doen afnemen? Dr. McClelland denkt van niet: “Ik denk niet dat mensen die zoiets verschrikkelijks doen rationeel zijn of denken. Dus zal het ontbreken van publiciteit ze niet weerhouden. Bovendien zou een dergelijk verbod de eerste stap zijn richting censuur, en zelfs tirannie. De verantwoordelijkheid ligt absoluut bij de journalist, dat is een onderdeel van zijn vak.”
Dus de journalist heeft die verantwoordelijkheid, maar kan daarmee nog wel altijd beslissen of hij een dergelijk nieuwsitem aanpakt of, vanwege de mogelijke consequenties, laat liggen. Dr. Schönbach: “Het recht op publiceren brengt nu eenmaal gevaren met zich mee.” Het ligt echter voor de hand dat er een publicatie volgt, omdat het de taak van een journalist is om nieuws volledig en onbevooroordeeld te brengen. Dr. McClelland: “Journalisten kunnen zichzelf niet toestaan om na te gaan zitten denken over de impact die elk verhaal dat ze schrijven, heeft. Ik denk niet dat er iemand op deze wereld is die gekwalificeerd is van elk apart nieuwsitem te bepalen of het gedrukt mag worden of niet. Dit zou leiden tot bevooroordeelde journalisten, die proberen andere mensen zich te laten gedragen zoals zij dat willen. Nogmaals, het is de ethische taak van de journalist om de lezers fair and square van informatie te voorzien.”
Zowel de gedrukte als de visuele media spelen een belangrijke rol. Er zijn vele onderzoeken gedaan naar het effect van het belangrijkste visuele medium, de televisie, op agressief gedrag. Sigmund Freud opperde ooit het Catharsis-model, dat suggereert dat het kijken naar een agressieve film een ontladende werking heeft en dat de behoefte aan agressief gedrag zo verdwijnt. Modern onderzoek heeft echter het omgekeerde aangetoond. Tegenwoordig gaat men er vanuit dat kijken naar geweld op de televisie in beperkte mate effect heeft op gedrag en de agressiviteit die daarin voorkomt.
Het effect van de publiciteit die Cho kreeg op Hawkins wordt ook beschreven in de Social learning theory. Deze theorie van Akers en Burgess, die dit toepasten in een onderzoek naar het effect bij criminaliteit, gaat er van uit dat mensen gedrag observeren. Als het geobserveerde gedrag ertoe leidt dat de persoon die dit gedrag vertoonde er op vooruitgaat (de gain), dan heeft dit een effect op de mate waarin de observatoren dat gedrag gaan na-apen, ook al is het vertoonde gedrag agressief of crimineel. De gain in dit geval was dat Cho wereldberoemd werd, en Hawkins, die blijkbaar zichzelf van het leven wilde beroven, had dit opgeslagen in zijn hoofd en probeerde hetzelfde via dezelfde weg te bereiken.
Het is moeilijk om vast te stellen hoeveel invloed de verschillende media hebben op dit soort weerzinwekkende incidenten. Al duizenden jaren lang bezondigen mensen zich aan deze manier van bekendheid verwerven. Hoewel er voldoende theorieën en onderzoeken bestaan die een verband tussen media en geweld aantonen, hebben de mensen die een dergelijke schietpartij op hun geweten hebben vaak psychische problemen en zijn er meestal op uit zichzelf te doden.
Dr. McClelland: “Ik denk dat een dergelijke connectie klein is. De media-aandacht zou een extra aanmoediging kunnen zijn om de trekker over te halen, maar iemand met problemen laat zich niet zo makkelijk weerhouden.” De mindere media-aandacht zal deze mensen dus niet tegenhouden, maar het kan niet de bedoeling zijn dat dit soort mensen beroemdheden worden. Hoe klein de connectie ook is, het blijft op die manier gevaarlijk voor de samenleving. Dr. Schönbach vindt dat journalisten daarop voorbereid moeten worden, want een journalist moet hier toch over berichten. Dr. Schönbach: “Het is een grote verantwoordelijkheid die journalisten hebben. Daar moeten zij ook verantwoordelijk mee omgaan. Hieraan kun je werken, bijvoorbeeld door middel van een betere opleiding voor journalisten, en de mogelijkheid om het beroep zo professioneel mogelijk uit te oefenen.” Want het is en blijft de taak van de journalist het publiek te laten weten wat er gebeurt in de wereld. Deze verantwoordelijkheid kan, zoals Cho deed, misbruikt worden, maar ondanks alles kan niet worden verwacht van journalisten dat zij bepalen wat publiceerbaar is. Wat misschien wel zou kunnen, is dat redacties het nieuws wat meer discreet presenteren. Zodat als er iemand weer een pistool in zijn hand heeft, hij alleen zichzelf neerschiet.