Jouw geluk is mijn geluk bij al het nieuwe dat gaat komen
De laatste Zaterdagcolumn van het jaar vraagt niet om een spotlight op de week die achter Philip Rouwenhorst ligt, maar om een spotlight op het jaar dat achter Philip Rouwenhorst ligt. Mijn stukken gingen over belangrijke zaken, hele kwetsbare momenten en absurde gebeurtenissen. Gedachtenkronkels, vurige fantasie en onmogelijke liefde. Soms voorzien van een beetje poedersuiker, nu en dan van noodzakelijke zelfcensuur: maar altijd op basis van keiharde feiten. Keiharde feitelijke interpretaties. Interpretaties die aan het eind van 2008 samen komen en hand in hand een broederlijk geheel vormen. De afgelopen acht maanden stelde ik me kwetsbaarder op dan ik ooit had gedaan en maakte ik je deelgenoot van mijn meest intieme momenten. Ik kleedde me uit. Van mijn jas tot mijn schoenen en van mijn overhemd tot mijn riem. De laatste Zaterdagcolumn van het jaar brengt alles weer samen.
Het is zaterdagochtend en mijn teenslippers liggen om onverklaarbare redenen op de hoek van mijn voeteneinde. Op de radiator bij mijn hoofdkussen staat een wijnglas met een laffe bodem bier. Vanuit het raam trekt Nederland in lange rijen aan me voorbij. Witte driekwartbroeken, knuffelbeesten aan de rugtas en felgekleurde zonnebrillen. Zonder met elkaar te praten waren we een hechte groep geworden. We kenden elkaar niet, maar leken alles van elkaar te weten. Maandenlang. Het meisje die altijd haar papieren netjes ingebonden naast haar had liggen. Haar buurman, met wie ze elk uur espresso ging drinken. En de mooie vrouw die wel Argentijns of Portugees móest zijn. Ze drong door tot het bot, vermengde zich met mijn bloed en schuifelde als in een kinderdisco met mijn ziel. Ik herkende het trapmeisje dan ook direct. Het trapmeisje! Opeens keek ze mijn woonkamer in. Dezelfde grote ogen, de niet te doorgronden blik.
Liefde van een afstand. Het klinkt zo eenzaam. De donkere zolderkamer die naar knakworsten ruikt, of de oude Adidas-schoenen met te lange veters. Toen het Belgische talent Francois Desnoeperd lek reed kwam ik alleen te zitten. Maar was ik wel de enige, was ik wel alleen? Dawson bewees zich namelijk in enkele minuten als pussy-van-het-jaar door liefde psychologisch te analyseren en zijn hart niet te volgen. Onophoudelijk gezever over de zin van het leven schrok Joey niet af. Met een tenenkrommend cynisme peddelde ze zich telkens weer een weg tussen haar eigen huis en het slaapkamerraam van de blonde eikel. Na 1986 leek het elk jaar een beetje minder met Hem te gaan. Maar afgelopen week scheen de zon in mijn hart. Het was groter dan woorden kunnen beschrijven en ongrijpbaar in al zijn pracht. Jaren heb ik er op moeten wachten: Hij is terug. Terug op aarde na jaren van halve dood, eenzaamheid en een verslaafde ziel. Hij is terug. ‘Welkom in mijn wereld, welkom in mijn tijdperk’, had hij gezegd. ‘Welkom bij mijn ideeën. Jouw geluk is mijn geluk bij al het nieuwe dat gaat komen.’
Ik schreeuwde het uit van orgastische blijdschap. De hond schrok op uit zijn mand en begon spontaan met zijn staart te kwispelen. Met beide armen druk zwaaiend in de lucht rende ik als een krankzinnige 21 rondjes om de salontafel, om vervolgens als een bezeten schipbreukeling met een theedoek boven mijn hoofd te zwaaien. Vergeten zijn de fouten. Vergeten zijn al die keren dat je ons onterecht hoop gaf. Al die keren dat je ons liet zitten omdat de geest niet sterk genoeg was. Dat je bijna dood was, en dat je als een krankzinnige door het leven ging. Onaangetast sta ik nu aan de top en er is niemand om mij naar Nederlandse traditie te vertellen dat ik mezelf moet blijven en beide benen op de grond moet houden.
Mijn leven zal in ieder geval drastisch veranderen. Ik bestel voor het eerst in mijn leven een bacardi-cola terwijl ik met mijn hand op mijn neus sla in het Cool Down Café wanneer het waterscooter-nummer wordt gedraaid. En binnenkort heb ik een Movember-snor. Ik ben benieuwd of ik niet alleen mezelf serieuzer neem, maar of mijn omgeving dit ook zal doen. Over twee weken hoop ik als Ed de Goey aangesproken te worden. Op dat moment en op die plaats, met het geluid van vuurwerk gooiende kinderen op de achtergrond in een leren stoel op het Vrijthof.
Ineens moest ik plassen. Ik baande me een weg langs drie Zeeuwse meisjes, negen mannen met een polsbandje van Canon en zestien vrouwen die een bierhelm droegen. Theo Reitsma zou van ‘een goed stel’ hebben gesproken. Vanaf het urinoir keek een Wuppie me troosteloos aan. Juist wanneer ik dacht een nette plas afgeleverd te hebben, keek ik nog even richting het plafond. ‘Als je dit leest pis je mis’, en zo geschiedde. Teleurgesteld keek ik voor me uit, waande mij weer in Guarulhos en stond ik klaar om op R2 van mijn denkbeeldige controller te drukken. Ik probeerde het in de bibliotheek en waagde uit ultieme wanhoop een uiteindelijk tevergeefse poging op de knaagdierenafdeling van een speciaalzaak in Amsterdam-Noord. Diep van binnen wist ik het al langer, maar de stap om er daadwerkelijk voor uit te komen bleek eerder nog te groot: ik heb een fascinatie voor begraafplaatsen.
Met die gedachte verliet ik het toilet. Op weg naar geluk reed ik met twee volle tassen aan mijn stuur. Door de kapotte trapper onder mijn rechterschoen moest ik mijn best doen geen overtreding te begaan op de massaal aanwezige toeristen en dagjesmensen. Eerder had ik op het Damrak twee vrouwen met een kleurrijke driekwartbroek, een klein meisje met leuke vlechtjes, een Chinees met een lekkende HEMA-worst en drie Spanjaarden met een vlasbaardje weten te ontwijken. De wereld was koud. Ijskoud. Ik droeg een muts om mijn oren warm te houden en door mijn iets te dunne handschoenen heen voelde ik mijn vingertoppen steeds stijver worden. Ik haalde het stukje karton van mijn koffie en vouwde mijn handen rond de warme beker. Snel sloeg ik mijn handdoek om mijn schouders. Terwijl ik op het verwassen hoekje beet, keek ik minuten lang richting de horizon.
Ik zag de komkommer zakken in mijn top-25 van favoriete groenten en de tomaat begon voorzichtig aan een opmars. Ik dacht aan het gesprek dat ik eerder die dag voerde over de gelijkenis tussen gedeelde passie en een volmaakte compositie van Ástor Piazzolla. Een gesprek over Buenos Aires: het bruizende middelpunt van ons omniversum. Van Boca Juniors tot Alfajor-koekjes, van polo tot Máxima. Het begon er op te lijken dat ik in het zicht van de haven geparkeerd zou komen te staan, ik stelde de Spaanse natie teleur. Ik gooide mijn fiets aan de kant, schoot drie voorbijgangers vanuit mijn bird-view neer en terwijl de geur van mijn nieuwe espadrilles zich door de auto verspreidde, zag ik om me heen enkel nog glooiende wegen en ontelbaar veel zonnebloemen. Halverwege kwam ik het konijn nog even tegen. Hij zwaaide met zijn linkerpootje en wenste me succes in het nieuwe jaar. Het leven is niet het leven dat je hebt geleefd, maar dat je je herinnert en hoe je het je herinnert om het te vertellen.