Spotlight Effect

Online archief van het ter ziele blog Spotlight Effect

Het levensgevaar van haatpropaganda

22 december 2006 by Ernst-Jan Pfauth

Een afweging tussen het redden van mensenlevens en de vrijheid van meningsuiting

Door Ernst-Jan Pfauth voor het communicatiewetenschappelijk tijdschrift Medium

Een Hutu-meerderheid vermoordde in Rwanda tussen april en juni 1994 ruim 800.000 Tutsi’s. Jarenlang hadden deze bevolkingsgroepen in vrede met elkaar geleefd. Maar een vriendelijke buurman bleek te kunnen veranderen in een nietsontziende moordmachine. De oorzaak van deze metamorfose is te vinden in haatdragende propaganda, ook wel hate speech genoemd. “Elk jaar wordt een groot aantal mensen slachtoffer van genocide, veroorzaakt door effectieve propaganda,” aldus Cees Hamelink, hoogleraar Internationale Communicatie aan de UvA en de VU.

Beeld door M. GroenDe meeste mensen moorden niet uit zichzelf, het wordt ze aangeleerd. Propaganda is een instrument dat door de geschiedenis heen zijn ‘nut’ in dat leerproces bewezen heeft. De genocide in Rwanda was een direct gevolg van de systematische haatcampagne die Hutu-extremisten via de radiozender Radio Television Libre des Milles Collines (RTLM) voerden. De belangrijkste boodschap die de zender verkondigde, bestond uit een waarschuwing aan de Hutu’s dat de Tutsi-gemeenschap een levensgevaarlijke en verschrikkelijke vijand was. De internationale gemeenschap kan volgens Hamelink geweldexcessen als in Rwanda voorkomen door verspreiders van hate speech voortijdig te berechten. Daarbij is het kiezen tussen twee kwaden, stelt Hamelink in het boek Media en Politiek: “Het kwaad van het beperken van de vrijheid van meningsuiting enerzijds, en het kwaad van toelaten van schadelijke uitingen anderzijds.”

Etnische conflicten
Het gevaar voor een nieuw etnisch conflict zoals in Rwanda ligt altijd op de loer.
Met 10.000 verschillende gemeenschappen die in slechts 200 landen met elkaar moeten samenleven, is er in verschillende delen van de wereld een verhoogd risico op een nieuwe geweldsuitbarsting. Effectieve interculturele communicatie is daarom noodzakelijk. Maar ondanks nieuwe technologische middelen die interculturele uitwisselingen makkelijker zouden moeten maken, gaat het op gebied van interculturele communicatie nog vaak mis. Wat de situatie extra zorgelijk maakt, is de toename van burgerslachtoffers in de etnische conflicten. Waar tegenstanders vroeger met legers tegen elkaar vochten, slachten zij tegenwoordig de bevolking af.

Eliminatie-ideologie
Uitvoerders van die massamoorden putten hun motivatie uit de eliminatie-ideologie: een stelsel van opvattingen en overtuigingen dat de eliminatie van een beoogde groep noodzakelijk, wenselijk en legitiem maakt. Binnen deze ideologie ziet de eigen groep zichzelf als superieur en dehumaniseert zij de tegenstander. Zo sprak Adolf Hitler van het Arische ras als übermenschen en betitelde hij de joden en enkele andere minderheden als untermenschen.
Tevens wordt de dreiging van ‘de ander’ zeer concreet gemaakt. De machthebbers verspreiden de eliminatie-ideologie, onder andere via de media, zo intensief dat de bevolking er uiteindelijk ook van overtuigd raakt dat gewelddadige verwijdering van ‘de ander’ onvermijdelijk is.

Levenslang
Hate speech heeft, zoals uit het verleden blijkt, verstrekkende en bovendien dodelijke gevolgen. Propagandisten leren mensen tegennatuurlijk gedrag aan, namelijk het vermoorden van de medemens. Het aanmoedigen tot genocide via de media kan daardoor gezien worden als een misdaad tegen de mensheid. Het Internationaal Militair Tribunaal van Neurenberg onderschreef deze opvatting in 1946. Daar werd naziekopstuk Julius Streicher berecht. Hij had gedurende 25 jaar Duisters aangezet tot jodenvervolging. Het Tribunaal zag het aanzetten tot genocide als een misdrijf tegen de mensheid en veroordeelde Streicher ter dood.
De internationale gemeenschap berecht nog steeds personen die zich schuldig hebben gemaakt aan hate speech. Het in 2002 opgerichte Internationaal Strafhof te Den Haag is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in de mogelijkheid gesteld personen te vervolgen voor misdaden tegen de mensheid. Artikel 25 van de statuten van het Internationaal Strafhof constateert dat het aanzetten tot genocide een misdrijf tegen de mensheid is. Ook de Rwandese journalisten die Hutu’s aanspoorden te moorden, zijn in 2003 veroordeeld. Twee van hen kregen van het Rwanda Tribunaal in de Tanziaanse stad Arusha levenslang. Een derde journalist moet 35 jaar uitzitten.

IMAS
Het recht heeft voor de Rwandese bevolking gezegevierd, maar wel te laat. Want voordat de journalisten gestraft werden, waren er al honderdduizenden Tutsi’s vermoord. Genocide heeft de afgelopen jaren naast de Tutsi’s ook vele andere slachtoffers geëist. Bijna altijd veroorzaakte effectieve propaganda deze massamoorden. “Het begint nooit zomaar dat mensen op een dag besluiten elkaar te vermoorden,” zegt Hamelink. De aanpak die de internationale gemeenschap nu hanteert, namelijk achteraf berechten, werkt niet. Op het moment dat het Internationaal Strafhof de schuldigen veroordeeld, heeft hun dodelijke campagne haar doel al bereikt.
Daarom streeft professor Hamelink naar een aanpak waarbij de internationale gemeenschap optreedt voordat de genocide plaatsheeft. Mensen moeten haatpropaganda daartoe in een zo vroeg mogelijk stadium signaleren. Dan kunnen zij het conflict in de eerste fase smoren en escaleert deze niet tot één met een genocidaal karakter.

Om dit te bewerkstelligen heeft Hamelink een internationaal systeem bedacht dat de media in conflictgebieden controleert en zonodig een waarschuwing afgeeft; het International Media Alert System (IMAS). Een lokaal team analyseert de media op systematische wijze. Het bestaat uit onderzoekers en mogelijkerwijs uit enkele stagiaires met een communicatiewetenschappelijke achtergrond. De teams rapporten zeer frequent aan een overkoepelend internationaal instituut. Mocht in een van die rapporten informatie staan die duidt op de verspreiding van haatpropaganda dan kan het instituut dit aangeven bij het Internationaal Strafhof. Het hof kan zonodig de personen die verantwoordelijk zijn voor de haatpropaganda oppakken en berechten.

Traditionele liederen
Hamelink benadrukt dat de tijd rijp is om het International Media Alert System in het leven te roepen. Immers, de internationale gemeenschap ziet het aanzetten tot genocide als een misdaad tegen de mensheid, er is een Internationaal Strafhof actief en er zijn technieken aanwezig om media efficiënt te kunnen controleren. Voordat Hamelink echter kan beginnen aan het ontwikkelen van IMAS, is op een aantal gebieden onderzoek vereist. Hamelink illustreert dit met twee voorbeelden. Voor het Rwanda Tribunaal staat momenteel de zanger Simon Bikindi terecht. Het Tribunaal verdenkt hem ervan dat hij met zijn liedjes Hutu’s aanspoorde jacht te maken op Tutsi’s. Zijn verweer is dat het traditionele liederen zijn en daardoor niet meer dan amusement. Onderzoekers moeten een methode ontwikkelen om zaken als deze te analyseren en zo te kunnen bepalen wie er gelijk heeft.
Het tweede vraagstuk dat professor Hamelink aansnijdt, heeft betrekking op het strafbaar stellen van aanzetten tot genocide. Om IMAS goed te kunnen laten functioneren moet het aanzetten tot genocide strafbaar zijn, ook zonder dat er al directe gevolgen waarneembaar zijn. IMAS moet de dodelijke gevolgen immers voorkomen. Hoe dit te realiseren valt, vergt nader onderzoek.

Financiering
Voor een systeem van deze omvang is veel geld nodig. Naast de benodigde onderzoeken zijn er meer kostenposten. Zo moet een team in de eerste fase van de ontwikkelingen een testproject uitvoeren. Bijvoorbeeld in Afghanistan, waar de eerste tekenen van haatpropaganda zichtbaar zijn. Daarom is Hamelink intensief op zoek naar instanties die IMAS financieel willen ondersteunen. Momenteel lijken die zich te bevinden in Zwitserland. De Zwitserse regering vindt het een voortreffelijk plan en wil zich graag op dit terrein profileren. Vorig jaar was Hamelink in onderhandeling met een Zwitserse instelling die bereid was IMAS te financieren. Deze organisatie is echter failliet gegaan. Nu is Hamelink bezig met een nieuw projectvoorstel bij de samenwerkende universiteiten in Genève met daarin de vraag of zij bij het Zwitserse Ministerie van Buitenlandse Zaken opnieuw aandacht voor IMAS willen vragen.

Complexiteit
Vrijwel overal waar Hamelink zijn project presenteert, krijgt hij positieve reacties, onder anderen van Kofi Annan. “Ik heb nog niemand gevonden die het een onzinnig plan vindt,” aldus Hamelink. Wel bestaat op kleine schaal verzet tegen de uitvoer van het plan. Ten eerste uiteraard door de verspreiders van hate speech. Daarnaast zijn er sceptici die aangeven dat het project zo complex is dat het heel moeilijk te realiseren valt. Hamelink stelt hen in het gelijk maar zegt ook: “Als de kans aanwezig is om mensen voor genocide te behoeden, dan moet je die proberen te benutten.” De laatste groep tegenstanders is een deel van de beroepspraktijk. Sommige journalisten willen graag de propagandisten uit hun midden filteren. Anderen menen dat er teveel onduidelijkheden aan IMAS kleven. Zo vragen zij zich af waar de scheidslijn tussen journalistiek en propaganda ligt. Als die lijn vaag is, bestaat de kans dat het Strafhof de verkeerde personen vervolgt. Een ander bezwaar is dat IMAS mogelijk conflicteert met de vrijheid van meningsuiting.

Mensenrecht
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel mensenrecht. Ieder mens mag zich er op beroepen. Daarom is het van groot belang dat de grenzen van dit recht duidelijk zijn vastgelegd. Hamelink beargumenteert in Media en Politiek dat vrijheid van meningsuiting stopt waar mensen aanzetten tot handelingen die dit recht voor anderen teniet doen. De rechtsgeleerde professor Raes van de Gentse Universiteit geeft in zijn boek Vrijheid van Meningsuiting en de Revisionistische Geschiedvervalsing aan dat wie zich op een vrijheidsrecht beroept ‘ook het recht van anderen erkent om dat recht uit te oefenen’. Als iemand dit ontkent, ontstaat de legitieme mogelijkheid het vrijheidsrecht van diegene te beperken. Personen die haatpropaganda verspreiden, ontnemen daarmee anderen de vrijheid hun mening te uiten. Tevens ontstaat hate speech vaak in samenlevingen waar de overheid de media streng censureert. Als de internationale gemeenschap de verspreiding van haatpropaganda in een dergelijk land een halt toeroept, neemt de vrijheid van andere media toe.
Dit lijken duidelijke argumenten. De uitdaging is echter om ze om te zetten in operationele definities. Hamelink verwacht dat hij de journalisten die nu nog problemen zien met de vrijheid van meningsuiting toch kan overtuigen. Hij put hoop uit het hoofdredactioneel commentaar van het toonaangevende dagblad The New York Times op de veroordeling van de Rwandese journalisten. “Er zijn ongetwijfeld personen die de Rwandese journalisten vrijpleiten door een beroep te doen op de vrijheid van meningsuiting. Wij vinden echter dat dit recht hier niet geldt, aangezien deze mannen eenvoudig opriepen tot het plegen van moord. Het oproepen tot moord is geen onderdeel van het journalistieke vak.”

Optimisme
In de aanloop naar de lancering van IMAS kan Hamelink elke intellectuele input gebruiken. Op de vraag welke bijdrage studenten Communicatiewetenschap kunnen leveren, antwoordt hij dat hij studenten wil oproepen na te denken over haatpropaganda in relatie tot de vrijheid van meningsuiting. Tevens is een scriptie over een van de onderzoeksaspecten aangaande IMAS een zeer welkome bijdrage. “Jonge mensen die vanuit een onafhankelijk standpunt informatie willen verzamelen over een actueel maatschappelijk probleem zijn hard nodig.” De ontwikkeling van IMAS is een moeizaam proces dat veel inspanning kost. Hamelink is echter vastberaden en stort zich vol overgave op het nieuw projectvoorstel. “Ik ben een buitengewoon optimistisch mens en ga er vanuit dat het in de tweede ronde wel lukt. Als het niet lukt, begin ik gewoon aan een derde ronde. Het plan is voldoende belangrijk om het echt op de rails te krijgen.”

Ernst-Jan Pfauth

Ernst-Jan Pfauth (1986) raakte halverwege zijn studie communicatiewetenschap verslaafd aan bloggen. Toen hij een ruzie tussen Balkenende en Witteman vastlegde, werd zijn blog Spotlight Effect ook daadwerkelijk gelezen. Na een stage bij de Verenigde Naties in New York reisde hij voor Web 2.0 blog The Next Web een jaar de wereld rond. Voor nrc.next verkocht hij zijn ziel aan de dode-bomen-industrie, vinden zijn oud-collega's. Zijn persoonlijke blog is DutchProblogger.nl.

More Posts - Website

Ernst-Jan Pfauth (1986) raakte halverwege zijn studie communicatiewetenschap verslaafd aan bloggen. Toen hij een ruzie tussen Balkenende en Witteman vastlegde, werd zijn blog Spotlight Effect ook daadwerkelijk gelezen. Na een stage bij de Verenigde Naties in New York reisde hij voor Web 2.0 blog The Next Web een jaar de wereld rond. Voor nrc.next verkocht hij zijn ziel aan de dode-bomen-industrie, vinden zijn oud-collega's. Zijn persoonlijke blog is DutchProblogger.nl.

Reageren uitgeschakeld | Categories: Internationaal, Interview, media, Politieke communicatie