One day you’ll dance for me
Met Sam Adams in mijn tas liep ik naar het spoor. Het was bijna middernacht en de luchthaven kende haar meest romantische moment. De heldere vrouwenstem die me op het rookverbod wees en een verdwaalde reiziger die in de aankomsthal besloot te overnachten. Vijf dronken Engelsen. De sms’ende zakenman. Vader en zoon die elkaar in de armen vlogen. Maar ík was alleen vanavond. Alleen stapte ik in het treinstel waarvan de lichten kapot waren. Langzamer dan normaal liet ik Schiphol achter me. Met mijn hoofd steunend op het raam keek ik vanuit mijn donkere hemel naar buiten. Eerst de tunnel. Daarna de A10. Ik keek naar buiten zonder naar buiten te kijken. Ik luisterde naar wat ik zag en proefde Amsterdam steeds dichterbij komen. Ik had de stad gemist, maar de stad voelde alsof het zonder mij niet had stilgestaan.
Het was bijna tien uur ‘s avonds en na een hete zomer was het sinds enkele dagen zonder oponthoud gaan regenen. Het was koud geworden. Je had een jas nodig. Ik liep met twee van mijn meest dierbare dierbaren mee naar de balie. Zo ver weg van huis, maar samen zo dichtbij. Het inchecken duurde lang. Heel erg lang. We zouden elkaar hierna nog één keer snel in de armen kunnen sluiten, maar afscheid had ik van binnen al genomen. Ik zou waarschijnlijk nog een traan zien, en dan alleen de lange busrit naar huis maken. Eerst de Van Wyck. Daarna in de verte hoge kille wolkenkrabbers die van New York het middelpunt op aarde maakten. De wind van de koude oostkust kwam door het ventilatierooster op mijn linkerarm. Ik dacht na over mijn tijdelijke leven. Het tijdelijke leven dat ik al heel mijn leven zo graag voor altijd zou willen leven. Ver weg en elke maand een afscheid. Bijna een obsessie voor emotie. Voelen dat je leeft. Maar ineens reden we het eiland op en was alles vergeten. Ik had het drie uur moeten missen en dat was veel te lang. Zo lang zou deze fase in mijn leven niet duren.
Amsterdam had vannacht zó New York kunnen zijn. Voorbijrazende auto’s en lichtreclame. Ik werd er intens gelukkig van. Een oneindige blik geprojecteerd op wat zo ver is, maar ooit dichterbij zal komen. De geur van een hamburger die het meisje tegenover mij aan het eten was. De beker hete koffie waar ik aan nipte. Zoals ze ooit uit elkaar ontstonden waren twee plekken onverwacht samengekomen. Maar ineens gingen de lichten aan. Nog nooit maakte iets dat gemaakt was zoveel kapot. Het moment was weg. Verdwenen in de nacht. Ik zag nu de weinig inspirerende kunstwerkjes die naast de glazen klapdeuren waren geplakt. De paars-roze stoelen en een veel te vrolijke conducteur die me definitief terug in de werkelijkheid bracht door op mijn schouder te tikken. Een feministisch ogende vrouw en twee pubers die nonchalant in een verdwaalde Sp!ts bladerden. Een papieren zak van Albert Heijn. Frank Sinatra klonk nu als Thomas Acda . De hamburger zag er uit als een grillburger van Febo.
Mijn liefde voor luchthavens was wederom sterker dan mijn Nederlandse nuchterheid gebleken. Ik vloog heen en weer tussen steden, zag schoonheid in elke ontmoeting en vertaalde woorden van mijn muziek moeiteloos naar alles dat zich om mij heen leek te gebeuren. Leek te gebeuren, want in het licht realiseerde ik me in een droomwereld te leven. Schiphol had me vandaag opnieuw te vroeg geroepen en gooide me terug naar Centraal Station. Ik had het licht zien schijnen, maar stond na twintig minuten in Amsterdam. Ik realiseerde me dat het tijd werd definitief de stad in mijn armen te sluiten. Een verhouding van haat en liefde is moeilijk en maakt ongelukkig. De nachtsnackbar was nog open en zonder het expliciet te vragen kreeg ik mayonaise bij mijn patat. Een duidelijker bewijs is bijkans onmogelijk, dit was precies waar ik naar zocht: hier hoor ik thuis. Op dit moment moet ik hier zijn. En is Schiphol even niets meer dan een treinstation waar ik over moet stappen. Tot de dag dat Acda eindelijk als Sinatra zal klinken.
Mooi, herkenbaar :-)
“De nachtsnackbar was nog open en zonder het expliciet te vragen kreeg ik mayonaise bij mijn patat. Een duidelijker bewijs is bijkans onmogelijk, dit was precies waar ik naar zocht: hier hoor ik thuis.”
prachtig!